In gesprek met een historicus.
Maandag 23 februari mocht ik te gast zijn in de prachtige studio van Innovam voor een mooi interview door directeur en historicus Leo Fransen. Tijdens twee transatlantische vluchten heeft Leo zich verdiept in 'Rafelranden van een Kampong' en er een heel mooie en uitgebreide recensie over geschreven, waar ik ongelooflijk trots op ben. Hieronder de volledige tekst:
“Rafelranden van een Kampong” is een Indische roman die zich nadrukkelijk niet laat verleiden tot tempo-doeloe‑nostalgie. Het verhaal kiest het perspectief van onderaf: de kampong, de keuken, het erf, het bediendenverblijf, de roddelcircuits en de dagelijkse angst. Daardoor ontstaat een roman die zowel zintuiglijk als meedogenloos is. Wie hier “thuis” is, is dat altijd bij de gratie van anderen — een vader, een toean, een dorpsorde, een bezetter of een stempel op papier.
Centraal staat Asmina, die al als kind ervaart wat uitsluiting betekent. Armoede, schaamte en een verstoord babygraf vormen een sluimerende vloek die haar leven blijft kleuren. Wanneer ze de kampong wordt uitgetrokken en terechtkomt in een koloniale huishouding, krijgt de roman zijn kernspanning: bescherming en uitbuiting lopen voortdurend door elkaar. Upi, de oudere baboe, is daarin een prachtig dubbelzinnig ijkpunt — zorgzaam en scherp, soms hard — tegelijk personage en morele seismograaf van het Indische binnenhuis.
Een van de sterkste kanten van het boek is hoe het laat zien dat koloniale macht niet alleen in bestuur of leger zit, maar juist in intimiteit: in wie je mag aanspreken, wie je mag aanraken, wie je kind “mag” zijn. Asmina’s verhouding met Dirk van Santen laat dat haarscherp zien. Er is tederheid, maar nooit veiligheid: juridisch en sociaal kan ze op elk moment worden weggeschoven. Dat wordt pijnlijk duidelijk zodra erkenning, namen en “rechten” op kinderen in het spel komen — papier als schijnzekerheid in een systeem dat haar fundamenteel buitensluit.
Daarna verschuift de roman overtuigend van de Europese huishouding naar een nieuw bestaan: vlucht, hernoeming, opnieuw wortel schieten. De episode rond Cheribon geeft even lucht en mogelijkheden — bijna een picaresk moment van vrijheid — waarna het verhaal landt in Mejong Lodaja, in de logica van adat, dorpspolitiek en mondelinge overlevering. Hier wordt het verhaal breed: niet alleen “koloniaal versus inheems”, maar ook inheems onderling — status, roddel, seksualiteit, huwelijksmacht, de grenzen van solidariteit. Asmina’s kinderen worden letterlijk en figuurlijk herschreven: nieuwe namen, nieuwe taal, nieuwe kansen, maar ook nieuwe verliezen.
Stilistisch valt op hoe filmisch en lichamelijk de scènes zijn. Geur, hitte, stof, zweet, eten, textiel en dieren zijn geen decoratie; ze dragen de sociale werkelijkheid. De Indonesische termen zijn functioneel en scheppen sfeer, zonder dat de tekst in uitlegstem vervalt — geholpen door een woordenlijst achterin. Als lezer word je de wereld in getrokken zonder dat de cadans wordt verstoord.
Historie sijpelt binnen zoals dat in veel levens gebeurt: als gerucht, radioflard, dorpspraat en plots geweld. De Japanse inval, de propaganda en de ontwrichting worden nergens geschiedenisles; ze drukken direct op lichamen en keuzes. De morele ambiguïteit van wie eerst als bevrijder wordt gezien, wordt geloofwaardig neergezet. Later trekt de roman de lezer mee de revolutie in en de snelle verharding erna: ‘Indonesia Merdeka’ naast dreiging tegen Chinezen, Belanda’s en Indo’s. De Bersiap-sfeer wordt invoelbaar zonder dat het pamflettair wordt.
Ook de magisch-psychologische laag — geestmoeder, doekoen, tijgerdoekoen, poesaka — werkt goed, juist omdat die niet als exotisch effect wordt ingezet maar als een eigen taal voor schuld, verlangen en angst. De doorwerking van het jeugdtrauma, en het idee dat de voorouders alles zien, maakt deze laag dramaturgisch noodzakelijk.
Waar het boek af en toe minder strak is, zit in de neiging om spanning steeds verder op te voeren via toevallige kruispunten. De latere confrontatie met Van Santen is sterk in thematiek — wetten en eigendom botsen op geleefd moederschap — maar voelt qua plotmechaniek wat nadrukkelijk. Ook herhalen sommige innerlijke monologen wat de lezer al weet; een strakkere redactieslag zou die momenten kunnen stroomlijnen.
Toch blijft de roman overeind dankzij zijn ruggengraat. “Rafelranden van een Kampong” is op zijn sterkst wanneer het laat zien hoe een vrouw, in een wereld die haar vooral ziet als bezit of risico, toch ruimte weet te maken: door te vluchten, te hernoemen, te onderhandelen, te verzorgen en uiteindelijk door symbolische daden rond erfstuk en thuiskomst. De slotbeweging biedt een overtuigende catharsis: het boek laat de oerschuld uit het begin niet alleen bestaan als trauma, maar toont ook hoe een gemeenschap en een verhaal die wond opnieuw kunnen lezen.



